Toespraak - Pinksteren - Alex van Heusden

Toespraak - Pinksteren - Alex van Heusden

‘En vervuld werden allen van heilige geest.’ Het verhaal van Pinksteren uit de Handelingen der Apostelen. Dat is ook echt een verhaal, een verbeelding. Fictief dus, een maaksel - als alle grote verhalen.
Over nieuw begin gaat dit verhaal van Pinksteren. Niet enkel over daar en toen. Over nieuw begin dat telkens weer moet worden gemaakt. Waar deze aarde om schreeuwt als een vrouw in barensweeën. Moeizaam, pijnlijk nieuw begin. Waar begin je aan en hoe houd je het vol?
 
De menigte in Jeruzalem samengekomen loopt te hoop, wordt door elkaar geschud, begrijpt niet wat er gebeurt, hoe en wat. ‘Ieder hoorde hen spreken in zijn eigen taal.’ Een algehele nasynchronisatie. ‘Ze zijn vol jonge, zoete wijn.’ Dan treedt Petrus naar voren en zegt tot de menigte: ‘Zij hier zijn niet dronken, zoals jullie veronderstellen, het is immers het derde uur van de dag’ (Handelingen 2:15).
De dag is drie uur oud nog maar, het is ongeveer negen uur in de morgen. Dat is ook het uur waarop Jezus werd gekruisigd (Marcus 15:25). Het verhaal van Pinksteren speelt zich af op de vijftigste dag na die dag en na dat uur: zevenmaal zeven dagen erna. Zeven weken. Vijftigste dag: in het Grieks pentèkostè, Pinksteren. Dat is vanouds het feest van de eerste oogst in het land en van de gave van de Thora - die woorden, die levensleer van vierentwintighonderd jaar geleden; het grote verhaal van bevrijding.
Het toneel is in Jeruzalem. Als dit verhaal wordt geschreven, is Jeruzalem een puinhoop, in de as gelegd door het tiende Romeinse legioen. De stad is één groot massagraf, vele duizenden doden onder de puinhopen. Jeruzalem bood een aanblik als vandaag Aleppo. Wat is het eerste dat je dan te doen staat? Overleven en beginnen met puin ruimen. Op veel plaatsen in deze wereld is dit het begin van nieuw begin: overleven en puin ruimen; het leven weer een heel klein beetje leefbaar maken. Pril, uiterst kwetsbaar nieuw begin door mensen die niet blijven zitten, bij de pakken neer, verslagen, wanhopig, maar elkaar moed inspreken, opstaan en aan de slag gaan.
Eerst zitten ze nog, bijeen onder één dak, honderdtwintig mensen, mannen én vrouwen (Handelingen 1:15). Mozes was honderdtwintig jaar toen hij stierf (Deuteronomium 34:7). Honderdtwintig is tien maal twaalf, een meer dan volgroeid Israël, ook al zit het, terneergeslagen, in zak en as, op de ruïnes van Jeruzalem.
Stilte voor de storm. En dan, plotseling, onverhoeds, tegen alle verwachtingen in: geraas als van een geweldige storm. Groot geluid, dolby stereo, het gaat door merg en been, als in de bioscoop. Zo wordt verbeeld wat onverwacht en onverhoopt toch geschieden kan. Bij tijd en wijle dient zich een kleine kans aan om het begin van een verschil te maken, ten goede. In de taal van de bijbel heet die kleine kans ‘heilige geest’ - adem, een injectie van creatieve zuurstof die alles in beweging zet en voorziet van nieuwe energie, zoveel mogelijk mensen ten goede.
 
Als in den beginne. Eerste bladzij van de bijbel, het scheppingsverhaal, daar staat geschreven (Genesis 1:2):
 
De aarde was woest en leeg,
duisternis over de oervloed -
de adem van God scheerde over de wateren.
 
De oervloed: een razende, stormende zee, chaos, duisternis, onbewoonbare aarde. Daaroverheen de adem van God. Niet ‘de geest van God’? Dat vind je in bijna alle gangbare vertalingen: ‘de geest van God’. Het Hebreeuwse roe’ach betekent allereerst ‘adem’ en, als die wat krachtiger wordt, ‘wind’ en met windkracht tien ‘storm’. God haalt diep adem, dan gaat hij spreken, zijn eerste scheppingswoord: ‘Er zij licht’ (Genesis 1:3). De schepping komt tot stand doordat God begint te spreken, door zijn woord - zoals een psalm het zegt: ‘door de adem van zijn mond’ (Psalm 33:6).
De geest van God, de heilige adem van het woord, is het DNA van elk nieuw begin. De adem van het woord roept en smeekt dat wij niet leven ieder voor zich, maar gemeenschap stichten, beweging maken - liefst een messiaanse beweging, vol dynamiek gericht op de toekomst, ruimte wijd als hemel.
‘En vol daarvan - van die adem - werd heel het huis waar zij zaten.’ Heel het huis. En dat huis staat voor de wereld. En de wereld is van iedereen, niemand uitgezonderd, geen mens. Alle volkeren en talen, vrouwen en mannen, groten en kleinen worden aangevuurd om een oude taal van vierentwintighonderd jaar geleden nieuw te leren spreken en tot verstaan te komen. Geen taal van achterstelling en uitsluiting, van racisme en discriminatie - die taal horen we maar al te vaak en veel te luidruchtig.
 
Wij kunnen weet hebben van een andere stem die een andere taal heeft gesproken, er zijn woorden opgeschreven en overgeleverd, van generatie op generatie, die een appel doen op ons gehoor en zo op ons geweten. In het vijfde boek van de Thora lezen we (Deuteronomium 6:4):
 
Hoor Israël,
de Naam is onze God, de Naam is een.
 
De Naam. Daar staan vier hoekige Hebreeuwse letters, j-h-w-h. ‘Ik zal er zijn’ luidt zijn naam Ik zal er zijn - tot bevrijding uit het systeem van slavernij. Hoor. Zo staat geschreven (Exodus 20:2):
 
Ik, de NAAM, ben jouw God,
ik die jou uitgeleid heb uit het land Egypte, uit het slavenhuis.
 
Dit is het beginsel. Bevrijding uit slavernij is beginsel en opdracht - aan ons, mensen, in deze wereld. De God ‘Ik zal er zijn’ belichaamt de hoop op een andere, nieuwe wereld, zonder uitbuiting en slavernij, zonder oorlog en stromen vluchtelingen.
Oude woorden, geschreven op geduldig papier, maar ze kunnen nog altijd van kracht zijn en hun werk doen. Als wij maar willen horen. Anders zijn ze aan dovenmansoren besteed. Welke woorden? Woorden die ons oproepen tot menslievendheid en mededogen. Maar die ook onze woede wekken over al het grote leed dat mensen in deze wereld wordt toegebracht.
 
Dit wordt met Pinksteren opgeroepen en gevierd. Dit is het verhaal van dit oorspronkelijk Joodse feest. Het heet Sjavoe’ot en dat betekent ‘Weken’ - Wekenfeest. Zeven weken worden geteld na Pesach, het feest van uittocht en bevrijding. Het feest van Sjavoe’ot herinnert aan de gave van de Thora, mattan thora, op de berg Sinai. Toen men de Kozker rebbe eens vroeg: ‘Waarom wordt Sjavoe’ot het feest genoemd van het geven van de Thora, en niet de tijd van het ontvangen van de Thora?’ toen heeft hij geantwoord: ‘De Thora is eens en voorgoed gegeven op de Sinai. Daaraan herinnert het feest. Maar het ontvangen geschiedt elke dag. Gegeven is aan allen in gelijke mate, maar niet allen hebben in gelijke mate aangenomen.’
Ontvangen is leren. De woorden horen en ze prenten in je hart en ze doorgeven aan je kinderen. Leren is uitleggen, verklaren, die oude woorden vertalen naar deze wereld, ze verbinden met hier en nu. Die mensen daar, aan de voet van de Sinai, wij zijn die mensen. Horen is niet enkel opvangen, maar vooral tot verstaan komen.
 
Ze roepen ons op tot onderlinge solidariteit, die woorden, ze willen ons motiveren om elkaar te bevrijden; dat wij elke kleine kans benutten om leed te verhelpen, tranen te drogen en zo mensen in ere te herstellen. En dat wij onze stemmen verheffen uit protest tegen het oprichten van scheidsmuren, hoe ‘wij’ komen te staan tegenover ‘zij’. Met de woorden van de Israëlische schrijver David Grossman: ‘Eens in de zoveel tijd, als we een echt goed boek lezen, komt binnen ons iets in beweging. Ineens lijken we een verre melodie op te vangen, of een vergeten stem die onze naam roept. Ook wij kunnen soepel en levendig heen en weer bewegen, bijvoorbeeld tussen de vrouw die we zijn en de man die we zijn; tussen de bejaarde die we eens zullen zijn en het kind dat we eens waren; tussen het gezond verstand en de waanzin die we in ons hebben; of ook tussen de Israëliër die ik ben en de Palestijn die ik had kunnen zijn.’
Onze opdracht luidt: scheidsmuren afbreken - zo versta ik de woorden van David Grossman. Een grote opgave. Begin er maar aan.
Scheidsmuren afbreken betekent: je inleven in andere mensen. Je had ook ergens anders geboren kunnen zijn, in een ander deel van de wereld, zonder al te veel levenskansen. Je had een vluchteling kunnen zijn, in een kamp zo groot als een stad vol schamele, lekkende tenten.
Het wil ons maar niet lukken scheidsmuren af te breken, grenzen te overschrijden, huidskleur te negeren - kortom, anderen te ontmoeten als mensen; mensen zoals wij. Waarom lukt dat niet? Waarom ook in onze eigen samenleving zo mondjesmaat?
 
Geest is nodig. Geestkracht, inspiratie die verbindt. Vuur van adem. Het visioen van een andere, nieuwe wereld. Dat moge ons optillen en dragen en zo de dagen van ons leven vervullen.
 
Zeg ‘amen’ - zo moge het zijn.
 

terug