Toespraak: Messiaans leven – door Peter Vermaat

Toespraak: Messiaans leven – door Peter Vermaat



Op een dag, zo gaat het verhaal, had een dwaas de mare verkondigd, dat de Messias gekomen zou zijn. Iedereen raakte opgewonden door dat bericht. ‘De Messias is er, de Messias….’ Maar rabbi Menachem liep naar het raam, opende het venster, zag daar buiten dat een koopman zijn klant belazerde, dat twee buurvrouwen zaten te kijven en dat een paar kinderen aan het vechten waren. Toen sloot hij het raam en zei: ‘De Messias is nog niet gekomen, want is er nog niets in de wereld veranderd.’
Terecht schreef Huub Oosterhuis in zijn kerstgedicht dat waar Aleppo is, daar is geen Jezus, zelfs geen God. Zoals God ook, volgens velen, afwezig was in Auschwitz en op andere plaatsen van geweld.
Geweld dat in veel gevallen verordineerd wordt door keurig geklede heren. Het kwaad gaat vaak chic gekleed, zeggen de rabbijnen.  Maar het wachten is op een die zegt: ‘hier ben ik’, dicht Oosterhuis, en nog een en weer een. Het wachten is niet op een brullende bek of op grof getwitter.
Christenen gaan er vanuit dat met de geboorte van Jezus de Messias is gekomen, in het Grieks vertaald de Christus. Maar zoals een zwaluw nog geen zomer brengt heeft een Messias de wereld nog niet rechtvaardiger gemaakt. En toch is er steeds die hoop dat alles goed zal worden.
De filosoof Hans Achterhuis beschrijft in een van zijn boeken, hoe de weg naar de hel vaak wordt geplaveid met goede voornemens. Hoed je voor mensen die het goede willen, die een utopie willen realiseren. De geschiedenis laat zien dat het dikwijls uitloopt op geweld, waarbij de een zijn ideeën van een goede samenleving wil opdringen aan een ander. De verkiezingen staan voor de deur en het valt mij op hoe bloedserieus de politici daarmee omgaan. Soms denk ik wel eens, waar blijft de relativering? Waar blijft de humor?
Volgens Martin Buber is de humor de beste metgezel van het geloof. Maar ook gelovige mensen dreigen aan hun ernst ten onder te gaan. Op een dag moest een ouderling een gastpredikant ophalen van het station. Hij wist niet hoe de man eruit zag, maar op een gegeven moment zag hij een wat somber kijkende man uit de trein stappen. Hij liep op hem toe en vroeg: ‘U bent zeker de dominee?’ ‘Nee,’ zei de ander, ‘ik ben geen dominee.’ ‘Ach sorry,’ zei de eerste. ‘U hoeft u niet te verontschuldigen. Ik word wel vaker aangezien voor een dominee. Ik heb namelijk last van een maagzweer.’
In de lezing hoorden we, dat de eerste volgelingen van Jezus zonder pretenties de wereld werden ingestuurd. Letterlijk met lege handen. Om op die wijze Gods almacht te laten zien. En daar begint de eerste valkuil, want Gods macht is heel anders dan die van de wereld. Toen mijn zoon vier was, zei hij op een dag: ‘Pappa, jij bent heel sterk, hè?’ Ik zei tegen hem: ‘Dat valt wel mee.’ ‘Maar jij kunt toch wel een boerderij optillen?’ ‘Nee,’ zei ik, ‘dat kan ik niet’. ‘Maar dan toch wel minstens twee trekkers.’ Zo sterk is een vader voor een kind van vier. Geleidelijk aan ontdekt dat kind dat een vader machtig kan zijn in een heel andere betekenis. Zelfs als hij tachtig is en in een rolstoel door zijn zoon vooruit geholpen moet worden, kan hij nog een machtige vader zijn.
Wie is er machtig? De geweerloop van een soldaat, het bevel van een koning, of de relativering van een nar? Wat soms niemand lukt, lukt de nar. Zoals Youp van het Hek een paar decennia geleden, op zijn oudejaarsconference van 1989 met een treffende opmerking het merk Buckler uit de handel wist te krijgen.
Als Jezus zijn leerlingen wegzendt en de macht geeft over de demonen en de kracht om zieken te genezen, geeft hij hen een vreemd reisadvies mee. Hij zegt: ‘Neem niets mee voor onderweg, geen stok, geen tas, geen brood, geen geld en ook geen extra kleren. Dat zouden wij heel anders hebben gedaan. Als wij iemand zouden adviseren, dan zouden we hem aanraden om van alles en nog wat mee te nemen voor onderweg. Wie in onze dagen met zijn sleurhut op reis gaat, neemt zelfs zijn Opperdoezers mee, want je weet maar nooit in dat andere land; daar hebben ze lang niet zulke lekkere aardappelen.
Het advies van Jezus is anders. En vanaf het begin hadden de eerste leerlingen daar al moeite mee.
Geen brood, geen geld. Hoe moet je dan overleven? Geen tas, want dan zou je nog iets bij elkaar kunnen bedelen. Ook die mogelijkheid word je ontnomen. Geen stok om je te verdedigen. Geen verschoning, helemaal niets. In het volgende hoofdstuk als Jezus de zeventig uitzendt, mogen ze ook geen sandalen dragen. Dat wordt lastig lopen over puntige stenen en kiezels. De eerste die deze eisen van de Heer afzwakt, is de evangelist Marcus. In zijn verhaal mag je ook niets meenemen, behalve een stok. En ze mogen van Marcus ook sandalen aan hun voeten hebben. En over de kleding zegt hij: ‘Je mag geen twee hemden dragen.’ Nu had men daar toch al niet zoveel behoefte aan in het warme landschap van Galilea, maar ze mochten dus wel een verschoning meenemen.
De woorden van Jezus lijken geïnspireerd te zijn door de cynici. Een hellenistische stroming in die dagen, ook bekend in het Palestijnse land. De bekendste cynicus was Diogenes van Sinope. Dat was een vrijdenker, die leefde rond 400 voor Christus. Hij leefde in een ton en wilde een leven leiden, waarin hij zichzelf kon bedruipen. Hij had niets nodig, dan alleen een stok om zich de honden van het lijf te houden en de slangen uit het hoge gras te kunnen slaan, en een mantel die tevens diende als een slaapzak voor de nacht. Meer was niet nodig. O ja, en een bakje om water te scheppen. Maar toen hij op een dag een hond met zijn tong het water op zag lebberen, dacht hij, zo kan ik ook drinken en hij gooide het drinkbakje weg. Kynici werden ze genoemd, de honden. Ons woord cynisme is ervan afgeleid, maar heeft wel een wat andere betekenis gekregen. Het waren vrijdenkers, die zich van niemand iets aantrokken en hun eigen gang gingen. Van Diogenes is bekend, dat hij zich op de markt masturbeerde om te laten zien hoe vrij hij was. - De schandalen in onze tijd zijn er niets bij. -  Toen Keizer Alexander de Grote, een van de grootste heersers in die tijd op een dag bij Diogenes kwam en vroeg of hij iets voor hem zou kunnen betekenen, zei Diogenes: ‘Kunt u even een stapje op zij doen, want u staat in mijn zonnetje.’ Meer had hij van de keizer niet nodig. De mensen waren ontzet, hoe durft hij?, tegen de keizer. Maar Alexander zou later gezegd hebben: ‘Was ik Alexander de Grote niet geweest, dan zou ik maar wat graag Diogenes zijn.’
Welnu, waarschijnlijk kende Jezus deze vrijdenkers, maar hij radicaliseert hun gedachtegoed. Als je echt vrij wilt zijn, neem dan niets mee. Gooi die stok maar weg en een extra hemd, een mantel hoeft ook niet. Ga met lege handen door de wereld in het volste vertrouwen op God en op mensen. Waar je onderdak vindt, blijf daar en ontvangen ze je niet, schud dan het stof van je voeten en ga verder.
Is dit niet erg naïef? God is niet in Aleppo, hoorden we net, niet in Auschwitz of op andere plekken van geweld? Kun je wel zo vol vertrouwen op de almacht van God, door de wereld gaan?
Het woordje ‘al’ in almachtig duidt erop dat de macht van God er anders uitziet,  dan dat wij denken. We moeten de macht van God anders zien, dan een kind van vier. Elders in de Schrift zegt Jezus: Je kunt niet twee heren dienen: God en de mammon. Wij vertalen dat dikwijls als een keuze tussen God en het geld. Maar mammon betekent ‘houvast’, ‘dat waarin men zijn vertrouwen stelt.’ Het gaat om een keuze tussen houvast, en het tegenovergestelde daarvan, en dat is onzekerheid. Wil je blijven zitten bij de vleespotten van Egypte, houvast maar slavernij, of kies je voor het vrije, maar onzekere bestaan van het trekken door de woestijn en het beloofde land niet binnengaan? Dat is de vraag!
Een van de weinigen die de boodschap van Jezus goed heeft begrepen, is Franciscus van Assisi geweest. Hij neemt de oproep van Jezus letterlijk in al zijn radicaliteit. Als hij op een dag deze evangelietekst hoort, roept hij uit: ‘Dit is het, wat ik wil.’ Hij liep in die tijd als een kluizenaar rond
met schoenen aan en een leren riem om zijn middel. Maar na het horen van deze tekst schopt hij zijn schoenen uit, vervangt de riem door een touw en neemt hij niets meer mee voor onderweg. Af en toe trok hij zijn pij, een boerenkiel uit, om het ongedierte eruit te kloppen. En ging dan weer verder. Zo trok hij barrevoets door de wereld en kreeg hij al snel duizenden volgelingen. Hij noemde zich een ioculator dei, een speelman van God,  en zijn lijf zag hij als broeder ezel. Hij kon het aan om een stuk hout van de grond op te rapen en met zijn andere hand nam hij dan een stok, die hij met een draad had bespannen. Deze stok bewoog hij over het hout alsof het een viool was en zo bezong hij Gods lof en danste erbij. Ernst was voor hem de metgezel van de duivel, maar de nar en de danser het symbool van een andere wereld. De dans doet immers het ego oplossen. Pas kan kun je opgaan in God, die met geen woord te vangen is, in een woordeloze dans. Over het non-conformistische optreden van Franciscus zijn veel verhalen bekend. Hoe hij op zijn beurt zijn volgelingen ook weer met lege handen op pad stuurde. Op een dag vond hij dat een edelman, Rufino, die bij hem in de orde was getreden, om de nederigheid te beoefenen, zijn pij moest uittrekken en in zijn onderbroek op de kansel de mensen tot boetedoening moest oproepen. Rufino weg, maar die schaamde zich rot. Toen kreeg Franciscus spijt om wat hij gedaan had en besloot hij  er spiernaakt achteraan te gaan. Hij klom op dezelfde kansel als Rufino en de mensen die eerst enorm om die gekken moesten lachen, hoorden hen toen preken over de armoede van God, de naaktheid van Christus en zij werden diep ontroerd.
Toen het kerstfeest was, preekte Franciscus niet over de geboorte van Jezus, maar over de geboorte van het kind van Beth… bethlehem, waarbij hij dat woord, volgens zijn biograaf, langgerekt en blatend als een schaap uitsprak. Hij gaf daarmee impliciet kritiek  op de kruistochtenpolitiek van de paus. Dagenlang spraken de mensen er nog over. Je hoefde immers niet naar het heilige land op te trekken. Bethlehem lag in de eigen streek. Daar moest Christus weer geboren worden. Franciscus sluit zich met zijn optreden aan bij die andere narren en dwazen, die de eeuwen hebben voortgebracht in navolging van het woord van Paulus, dat wij dwazen zijn om Christus wil. Want voor hen was Jezus zelf die dwaas. De danser die door heel het evangelie heen danst, waarover we straks zullen zingen.
Hadden de vogels hun nesten en de vossen hun holen, de mensenzoon had geen plek om zijn hoofd neer te leggen. Als een troubadour trok hij door het land en bracht hij zijn boodschap aan de mensen in gelijkenissen, de cabaretteksten van die dagen, waarvan wij helaas de humor niet meer zien.
Ik denk aan de gelijkenis van de verontschuldigingen, waarbij de een na de andere genodigde zich verontschuldigt. De een heeft een akker gekocht en moet die gaan bekijken, de ander ossen die hij moet keuren en de derde is getrouwd. Daar moet vroeger om gelachen zijn, maar wij zien de humor er niet meer van in. Maar wie van ons zegt: ik heb een huis gekocht, maar ik moet even kijken hoe het eruit ziet. Je kijkt toch eerst, voordat je het koopt? Wat is dat voor een rare smoes. Nog erger maakt die tweede het. Ossen waren de trekkracht in die tijd. Het is net zo iets als zeggen: ik heb een auto gekocht en ik moet even kijken of hij wel door de apk heen komt. En die laatste is het allerergste: die zegt, ik ben getrouwd. Ik mag het huis niet meer uit. Terecht dat de heer boos wordt en de blinden en lammen, de bedelaars en misvormden laat roepen.
Een Afrikaans verteller heeft zich eens proberen voor te stellen, wat er dan zou gebeuren. Het had die dag geregend. De weg was veranderd in een modderpoel. En een lamme sleepte zich, bij gebrek aan een rolstoel, op zijn handen als een slak door de drek. Zo kwam hij over de rode loper het paleis binnen, een slijmerig slakkenspoor achterlatend. In de eetzaal wierp hij zich op een stoel en hij viel op het eten aan, tezamen met die andere armen die al dagen niets gegeten hadden. Boerend en schrokkend. Het is de vraag of je in dat koninkrijk der hemelen erbij zou willen zijn. Het stonk bovendien als de pest, want die lammen en misvormden hadden zich al tijden niet gewassen.
En zeg nou niet dat het zo niet gegaan zou kunnen zijn. Jaren geleden gaf ik nog les op een huishoudschool. Een keer in de zoveel tijd moest daar een klassenfeest gehouden worden. Alle tafels en stoelen waren het lokaal uitgesleept en op een grammofoon werden platen gedraaid, waarop gedanst werd. Halverwege de avond kwam ik dan de dansvloer op om daar een bak chips neer te zetten. Maar zodra ik die bak chips neer had gezet, stortten die meisjes zich erop en nog voor ik mijn plaats weer had bereikt, was die bak leeg. En het ging hier niet om armen, maar om weldoorvoede Westfriese meisjes. Welnu, als zij zich al zo op het voedsel stortten, hoeveel temeer dan die armen die dagenlang niets hadden gegeten. Het valt me op dat wij de kritische humor van deze verhalen maar niet op ons netvlies kunnen krijgen. Misschien wel, omdat we onszelf te serieus nemen.
Aan het eind van zijn leven, vertelt Lukas ons, gaat Jezus op een ezel Jeruzalem binnen. In tegenstelling tot de andere evangelisten, spreekt Lucas niet van een menigte, maar van een menigte van discipelen. Een beduidend kleiner aantal dus. Volgens de joodse nieuwtestamenticus David Flusser hebben we hier te maken met een authentiekere tekst dan in de andere evangelies. Als dat groepje leerlingen hard begint te juichen, zeggen de Farizeeën: ‘Laat ze hiermee ophouden.’ Waarop Jezus zegt: ‘als zij zwijgen, gaan de stenen juichen.’ Het is net zoiets als dat wij straks iemand van u op een omafiets zetten en dan gaan roepen: ‘Leve de koningin, leve Maxima.’ Mensen zullen naar buiten komen. De een zal het een ludieke actie vinden en de ander zal roepen: ‘Doe effe normaal.’
Trouwens op die ezel had nog nooit iemand gezeten. Het was een onbereden ezel. Nu laat een paard of een ezel zich de eerste keer niet zo gemakkelijk berijden. Dus, of Jezus moet een hele goede ezelfluisteraar zijn geweest, of hij kwam als een soort Dik Trom achterstevoren de stad binnen. Als een Heer van de dans. Het is terecht dat de Farizeeën zich daaraan ergerden. Het gebeuren laat zich wat vergelijken met de happenings aan het eind van de jaren zestig bij het Lieverdje in Amsterdam, waar de Provobeweging Oranje Vrijstaat had uitgeroepen. Voor de meeste jongeren van nu een onbekend gebeuren. Maar de Jezusbeweging is er nog steeds. Franciscus en zijn broeders staan in deze traditie van narren en dwazen, die zeiden: ‘hier ben ik’. En met hun relativering hebben ze de wereld een beetje veranderd.
Er zijn veel beelden van Jezus bekend. Het minst bekend is dat van de nar, de clown, waar de theoloog Harvey Cox ooit een pleidooi voor heeft gehouden. Sinds de kerk staatsgodsdienst werd, wordt dat beeld alleen nog maar met carnaval gedoogd, en heeft het geloven zijn oorspronkelijke humor verloren. Maar de clown is niet hetzelfde als een cabaretier. Laat de cabaretier om anderen lachen, de clown laat om zichzelf lachen. Hij komt op als entr’acte tussen twee grote nummers. Hij struikelt en valt en houdt ons zo een spiegel voor, dat wij mensen niet meer zijn dan een belachelijk handjevol aarde. Op zijn manier probeert hij onze misplaatste voornaamheid door te prikken. Tegelijk is de clown het toonbeeld van onze koppige onwil om voorgoed gekooid te worden door de huidige machten. De clown wordt beduveld, vernederd en afgetroefd. Hij is oneindig kwetsbaar, maar wordt nooit volkomen verslagen. Hij laat ons lachen om onze eigen hopeloosheid en die relativering, geeft ons juist hoop. Hij laat de verbeelding aan de macht komen, waarbij zelfs de graven van doden open kunnen gaan.
Een joods geleerde, de zojuist genoemde David Flusser, heeft de leer van Jezus eens in één woord sa­mengevat: relax. En hij lichtte het toe met een anekdote: Ik vloog eens, via Duitsland, naar New York. Nou kent u wel die opwinding die zich dan van mensen meester maakt, telkens als ze hun paspoorten moeten laten zien, hun koffers tonen, enzovoorts. Iedereen dringt, iedereen zoekt geagiteerd naar zijn papieren, ie­dereen is nerveus, bang iets vergeten te hebben. Ik ook: eerst op het vliegveld in Duitsland, vervolgens in New York. Daar was er zo’n zenuwachtig gedrang en gedoe, zo’n explo­sieve sfeer, dat een zware, grote Newyorkse politieman er wat aan ging doen: ‘Rel­ax, mensen, relax toch,’ riep hij met zijn zware stem. En toen heb ik gedacht: dat is het nou precies. Dat is de leer van Jezus in een woord: relax. Stap uit die kringloop van oordelen, vooroordelen, belangen, competitie, angst en zorg. Relax, ontspan je.’ Bevrijd je van elke kleinmenselijke waarde. Wees niet bezorgd voor de dag van morgen. Want ‘wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn levensduur toevoegen?’ Door die relax, die ontspanning komen je beste krachten vrij. Misschien dat daar het messiaanse leven gaat beginnen.
 
de nar
 
dor land en gaten in de tijd geen eind
in zicht een lange rij van wanhoop strompelt
te voet aleppo auschwitz plaatsen van
geweld waar sluw het kwaad in ’t pak verdwijnt
 
een brullende bek kort en grof getwitter
zo ernstig kan alleen de duivel zijn
maar met zijn wit gezicht en rode neus
verschijnt de nar en blaast met droeve glitters
 
als broeder ezel draagt hij ’t bitt’re leed
blootvoets met lege handen uit een hemd
vernederd afgetroefd maar nooit verslagen
‘hier ben ik’ is zijn naam die wordt gevreesd
 
hij danst vooruit verbeeldt wat nog niet is
doden staan op op hun begrafenis
 
                                                            peter vermaat

terug